Mali blues: 24 dagen onthaasten in Afrika

Geplaatst: 14 februari 2010 in Reizen

Wat is dat toch met Afrika dat zo’n onweerstaanbare aantrekkingskracht op me heeft? Ik ben maar opgehouden me daar het hoofd over te breken. In plaats daarvan stort ik me tegenwoordig enkel vol overgave in het avontuur, om dan zelden teleurgesteld te worden. Zo ook dit keer: Mali had eigenlijk vrijwel uitsluitend hoogtepunten te bieden. Natuurlijk is een flinke dosis aanpassingsvermogen vereist in één van de armste landen van de wereld, maar heb je die in je bagage, dan krijg je er veel voor terug. Ook met de groepsleden waarmee ik op pad was, we waren met z’n tienen, kon ik het prima vinden.

Een typisch dorpje in Dogon Country

Een prachtig vergezicht vanaf de falaise in Dogon Country

Maskerdansen in Indelou, Dogon Country

Ons geduld werd nog enigszins op de proef gesteld, want door een vertraging met de vlucht kwamen we twee uur later dan gepland aan op de luchthaven van Bamako, de hoofdstad van het land. En dat was dus half vijf in de nacht. Omdat we ook nog even wilde slapen in een bed, vertrokken we de volgde dag pas tegen het middaguur voor onze eerste lange reisdag naar Segou. Dat schijnt het meest relaxte stadje in Mali te zijn, maar omdat we er pas tegen zonsondergang arriveerden, en de volgende ochtend alweer om acht uur verder moesten, hebben we er helaas weinig van gezien. Onze tweede reisdag beëindigen we in Bandiagara. In de ochtend van dag drie volgt nog een rit van twee uur over een dubieus zandweggetje naar Djiguibombo. Daar begint een 8-daagse wandeltocht door Dogon Country. De bewoners hebben zich in vroegere tijden hier teruggetrokken toen de Islam, vaak met harde hand, haar intrede in het land deed. Dogon Country ligt langs een tientallen kilometers lange falaise, een klif van enkele honderden meters hoog. Als ware we cross-country skieërs gaan we de falaise op en af. Boven genietend van de fantastische vergezichten, beneden kennismakend met de locals in de vele kleine dorpjes die we passeren. De extreme hitte, in de zon was het overdag bijna 45 graden, maakte de tocht zwaar, en het was dan ook goed oppassen dat je jezelf niet voorbijliep, wat me niet altijd even goed lukte. Maar na afloop goed eten, en vooral drinken, en een goede nachtrust deden vaak wonderen. We hebben oud-en- nieuw doorgebracht in de Dogon, maar afgezien van een groep luidruchtige Fransen hebben we er weinig van gemerkt. Omdat we geen puf hadden om tot middernacht op te blijven hebben we op de wereldkaart een land gezocht waar het om negen uur nieuwjaar was, en zo vierden we klokslag twaalf voor de inwoners van Jemen.

Sfeerbeeld van de bruisende havenstad Mopti

Onze pinasse voor de vierdaagse boottocht op de Niger

Een on-Malinees paradijsje tijdens een uitstapje langs de Niger

Na de Dogon gaan we door naar Mopti, een bruisende havenstad, waar de activiteit zich concentreert langs de rivier de Niger, de levensader van het land, waarlangs de meeste steden in het land zijn ontstaan. Een dag lang wandelen we langs het water kris-kras door de vele kleine marktjes en winkeltjes. Zelf heb ik nog een stuk zout gekocht, dat midden in de woestijn in de Noord-Malinese nederzetting Taoudenni wordt gedolven. Een kamelenkaravaan heeft 15 dagen nodig om vanuit Timboektoe dit zeer geïsoleerde gebied te bereiken. Vervolgens wordt elke kameel met 200kg zout beladen, en wacht de zware terugtocht van wederom 15 dagen. Een karavaan maakt extreem lange dagen van wel 16 uur. Als er niet wordt gelopen wordt er geslapen, en dan dus 30 dagen aan één stuk. Vanuit Timboektoe wordt dit zout over het hele land verspreid, en zo kwam mijn stuk vanuit Taoudenni per kameel in Timboektoe en van daar per boot over de Niger in Mopti terecht. Na Mopti wacht een boottocht per pinasse, een langwerpige boot die aan beide kanten puntsgewijs toelopen, met motor, dat wel. Maar in ondiepe stukken moet soms ook geboomd worden. De volgende dagen relaxen we en zien we de dorpjes langs de oever aan ons voorbijtrekken. Elke dag maken we twee uitstapjes als er langs de oever iets interessants te zien is. Dorpelingen hier zien zelden toeristen, en we zijn dan ook steeds een grote attractie. Als de avond valt meren we aan op een rustig stukje, en zetten onze tenten op, terwijl de lokale staf het kampvuur aanmaakt en het eten bereidt. Daarna is het nog even genieten van de duizenden sterren aan de hemel, voordat we in onze tentjes kruipen. En dan ’s ochtends om zeven uur op, ja het is echt vakantie, en om acht uur weer in de boot voor het volgende stuk. Na vier dagen komen we in de mytische stad Timboektoe aan, dat alleen nog in naam een bijzondere stad is. De woestijn rukt immers steeds verder om en blaast haar zand al door de straten. Hoelang zullen de inwoners zich nog kunnen verdedigen voordat deze stad door het zand wordt verzwolgen? Hoogtepunt hier is het halen van een stempel in ons paspoort, als blijvend bewijs dat wij daadwerkelijk voet in deze stad hebben gezet.

Straatbeeld in de legendarische stad Timboektoe

Habib Koité midden in de woestijn op het Festival au Desert

De Grote Moskee van Djenné, het grootste lemen gebouw ter wereld

Vanuit Timboektoe gaan we de Sahara in, op naar het terrein waar de komende drie dagen het Festival au Desert plaatsvindt. Een soort Pinkpop maar dan met voornamelijk West-Afrikaanse muziek en midden in de woestijn. Er heerst een geweldig aparte sfeer als we ’s avonds in het zand zitten te genieten van de vele bandjes die langskomen. Elke avond loopt het programma uren uit, maar zelfs als we het voor gezien houden, kunnen we vanuit onze tenten, die ruim op gehoorsafstand van het terrein liggen, nog rustig verder genieten, totdat we door de slaap worden overmand. Overdag is er weinig te doen op het terrein. We maken twee uitstapjes: de eerste dag maken we een kamelentocht, mijn eerste keer op een kameel, en de tweede dag een wandeling naar een Toeareg-kamp, de Toeareg zijn nomaden die in Mali en omringende landen door de woestijn trekken, voor een theeceremonie bestaande uit drie kopjes, elk met hun specifieke betekenis. Na het festival wacht een lange reisdag terug naar Mopti, en de volgende dag nog een paar uur naar Djenné, een stadje dat compleet uit leem is opgetrokken. Omdat het inmiddels op de Unesco Werelderfgoedlijst staat, is het verboden om moderne gebouwen in de stad te bouwen, waardoor het z’n authenticiteit behoudt. Wandelend door de smalle straatjes waan je je even in de Middeleeuwen. Vanuit Djenné is het tenslotte terug naar Bamako, waar we nog een dag te besteden hebben. Na een bezoek aan het Nationaal Museum, besluiten we nog te klimmen naar Point G, een bekend uitzichtpunt net buiten de stad. Maar kennelijk beklimmen we de verkeerde heuvel, want na bovengekomen over een paar hekken te zijn geklommen staan we ineens midden tussen de parlementsgebouwen van Mali. Wat een onbeschrijflijke luxe hier! Even begrijp ik bijna waarom het land zo arm is.. Als we even later netjes door de toegangspoort naar buiten lopen worden we aan de kant gadegeslagen door twee stomverbaasde bewakers: ze hebben ons immers nooit zien binnenkomen! Rond middernacht zit het avontuur er dan, helaas weer veel te vroeg, op. Een lange reis terug naar Nederland, waar we met open armen door de ijzige koude worden ontvangen, is al dat nog rest..

Als je er na dit verhaal nog geen genoeg van hebt kun je ook nog mijn fotoboek in PDF-formaat (32Mb) downloaden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s