Cursus “Verhalen schrijven” – les 8

Geplaatst: 9 november 2012 in Schrijven

Opdracht

Kies of verzin een gebeurtenis die plaatsvond in een straat waar je ooit hebt gewoond en waar minimaal drie personen bij betrokken zijn (één van de personages kan een voorbijganger zijn, of iemand die de gebeurtenis toevallig ziet als hij/zij uit het raam kijkt). Beschrijf de gebeurtenis drie maal: vanuit het standpunt van de drie verschillende personages. Als je de gebeurtenis vertelt vanuit het standpunt van personage A, kun je wel zijn/haar gedachten weergeven maar niet die van de personages B en C. Totaal maximaal 1,5 A4.

###

Whole lotta rozen

Anna

‘Wat is er schat?’. Anna hoort haar man diep zuchten en vraagt zich af of hij vandaag weer problemen heeft gehad.
‘Die steken in m’n hoofd.. ze, ze zijn terug’.
‘Zat Bert je weer dwars vandaag?’
Edward slaat hard met zijn vuist op tafel. ‘Hou er over op!’ Het serviesgoed protesteert luid rinkelend en er klotst koffie over de rand van de kopjes.
‘Misschien moet je toch eens..’. Een luide bons tegen het raam van de keuken brengt haar abrupt tot zwijgen. Het glas trilt in haar sponning.
‘Dat is Godverdomme nu de laatste keer geweest’. Edward staat op uit z’n stoel en beent naar de keuken.
‘Eddie lieverd, wat ga je doen? Het zijn maar kinderen’.
Ze schrikt als ze een moment later het geluid van metaal op metaal hoort. Nog voor ze bij de keuken is komt haar man weer tevoorschijn. Ze slaat haar hand voor haar mond.
‘Ed, alsjeblieft niet doen’. Ze pakt haar man bij een arm als hij de deur van de huiskamer opent.
‘Niet mee bemoeien nu’. In een poging om los te komen maakt Edward een slaande beweging met zijn arm naar achter, recht in haar gezicht.
Anna voelt zich duizelig worden, en vindt zichzelf even later op de grond terug. Haar man is verdwenen. Instinctief probeert ze meteen weer op te staan, maar een regen van sterretjes doet haar zich aan de eetkamertafel vastgrijpen. Ze hapt naar adem. Waar is Edward? Ze doet een nieuwe poging, nu gaat het wat beter, al voelt ze zichzelf nog steeds misselijk. Wankelend loopt ze naar het raam van de keuken. Buiten ziet ze Edward die een jongen van een jaar of twaalf heeft ingesloten, terwijl hij naar zijn rozen wijst. Altijd weer die verdomde rozen! Soms lijkt het wel of hij meer van z’n rozen houdt dan van haar. Dan ziet ze dat hij zijn rechter hand heft. Koud staal blikkert in het laatste zonlicht van de dag. Anne voelt zich opnieuw misselijk worden maar weet zich staande te houden door met haar polsen op het aanrechtblad te leunen. Haar blik gaat koortsachtig van links naar rechts: Ed, groot en dreigend, de jongen, ineengedoken en met zijn rug tegen de muur van het huis, hij kan geen kant op. Dan begint de jongen te schreeuwen. Anna voelt een golf van misselijkheid opkomen. Eerst wordt haar blik wazig, en dan glijden haar armen van het aanrecht langs de keukenkastjes naar beneden. Het laatste wat ze voelt is het contact met de koude keukenvloer onder haar.

Marc

‘Jan, Jan, naar mij’. Marc staat driftig te zwaaien naar zijn vriend. Ziet ie dan niet dat hij helemaal vrij staat?
Hij veegt het zweet van z’n voorhoofd en gaat helemaal op in een spelletje paaltjesvoetbal. Wekenlang hebben ze niet kunnen ballen in de straat omdat plotseling de rij bomen op het trottoir was verdwenen. Volgens zijn ouders omdat de wortels de stoep kapot maakten. Ja ja, het zal wel. Maar toen hij vandaag uit school kwam wachtte er tot zijn grootte vreugde een nieuw rijtje jonge boompjes, op hun plaats gehouden door een ijzeren band. Marc had meteen een aantal vrienden opgetrommeld waaronder Jan, natuurlijk Jan, zijn allerbeste vriend die aan de overkant van de straat woonde.
Hij ziet Jan een aantal kap- en schijnbewegingen maken. Dat duurt allemaal veel te lang. Maar daar komt ie dan toch, de perfecte voorzet. Marc concentreert zich, de tienduizenden toeschouwers op de tribunes houden hun adem in, het is nu alles of niets. De bal is perfect op maat, hij neemt hem vol op de wreef en.. met een grote boog verdwijnt de bal diep in de tuin van De Rozenkweker, de schrik van de straat. Buiten zijn gezichtsveld klinkt een doffe bons.
Marc staart even besluiteloos naar de tuin waarin zijn bal zojuist is verdwenen. ‘Kom op, help me die bal te zoeken!’.
Maar zijn vrienden maken geen aanstalten om richting de tuin te gaan.
‘Jan?’
Jan kijkt hem stoïcijns aan.
Inmiddels stappen Ben en Maarten op hun fietsen en maken aanstalten om te vertrekken. Jan doet nu een paar stappen naar achteren, in de richting van zijn huis.
‘Losers! Ik ga die bal zelf wel ophalen.’
Hij voelt hoe de adrenaline door zijn lichaam giert als hij over het hekje stapt. Hij moet eerst door een paar struiken alvorens hij vrij zicht op de tuin heeft. Onmiddellijk ziet hij zijn bal liggen, vlak bij de muur van het huis in een struik met dieprode rozen. Als een dief in de nacht sluipt hij door de tuin tot hij bij de struik is. Na enig wrikken laat deze zijn kostbare bezit los, een echte leren bal die hij nog van z’n oma heeft gekregen. Gelukkig is hij onbeschadigd.
‘Zo jongeman, laat die bal maar los’, klinkt het bars achter hem.
Marc schrikt zo dat hij bijna in de rozenstruik valt, maar hij weet zich nog net staande te houden, wat ten koste gaat van een paar lelijke schrammen. Als hij zich omdraait kijkt hij in een gezicht dat pure haat uitstraalt. Hij staat als versteend aan de grond.
‘Dat was één keer teveel jongeman, nu heb ik je vaak genoeg gewaarschuwd’.
‘Het spijt me meneer, het zal nooit meer gebeuren’.
‘Smoesjes, ik heb niet al die uren zitten zwoegen in mijn tuin om hem in één klap kapot te laten maken door zo’n rotjongen als jij’.
Dan worden zijn ogen groot van schrik. Hij doet een vertwijfelde poging om te vluchten, maar voordat hij een meter ver is, voelt hij een ijzeren klem om zijn arm sluiten. Hij raakt in paniek: deze gek gaat hem vermoorden.
‘Help, help, help!’, gilt hij van pure angst, en in de hoop dat iemand hem te hulp zal komen, maar het lijkt wel of de straat ineens is uitgestorven.

Edward

‘Wat is er schat?’
Edward maakt zich los uit zijn overpeinzingen. Hij voelt een scherpe steek in z’n voorhoofd. Hij kan er niet meer tegen. Elke dag weer dat getreiter van zijn leidinggevende. In het begin was hij er nog wel eens tegenin gegaan, maar toen hem fijntjes was medegedeeld dat zijn houdbaarheid bijna was verstreken had hij er knarsetandend het zwijgen toe gedaan. Hij moest wel, op zijn leeftijd kwam hij nergens meer aan de bak.
‘Zat Bert je weer dwars vandaag?’
Woedend slaat hij op tafel. ‘Hou er over op!’. Een nieuwe pijnscheut trekt door z’n voorhoofd. Laat haar alsjeblieft niet weer over Bert beginnen, alsjeblieft.
‘Misschien moet je toch eens..’. Een knal tegen de ruit van het keukenraam legt zijn vrouw het zwijgen op.
Heel even is hij gelukkig, dan denkt hij aan zijn rozen, zijn lieve rozen. Nu voelt hij een helse pijn in zijn voorhoofd. Dat was weer één van die rotjongens in de straat. Hij háát kinderen, maar nu gaat hij er wat aan doen.
‘Dat is Godverdomme nu de laatste keer geweest’
Kokend van woede loopt hij naar de keuken, en opent de besteklade. Hij rommelt wat in de lade tot hij heeft gevonden wat hij zocht: het prachtig nieuwe koksmes uit de bestekset die ze op hun 30-jarige huwelijksfeest hebben gekregen. Nu moet hij snel zijn, voordat ze er met de bal vandoor zijn. Anna probeert hem tegen te houden, maar haar woorden dringen niet tot hem door. Hij voelt dat ze hem bij zijn arm pakt.
‘Niet mee bemoeien nu’. Met alle kracht die hij in zich heeft rukt hij zich los en is met een paar stappen bij de voordeur. Heel even komt er een soort van kalmte over hem en geruisloos opent hij de deur. Hij is net op tijd!
‘Zo jongeman, laat die bal maar los’. Hij doet zijn best z’n stem zo angstaanjagend mogelijk te laten overkomen. Dit mist zijn uitwerking niet want de jongen tuimelt bijna met bal en al de rozenstruik in.
‘Dat was één keer teveel jongeman, nu heb ik je vaak genoeg gewaarschuwd’.
‘Het spijt me meneer, het zal nooit meer gebeuren’.
‘Smoesjes, ik heb niet al die uren zitten zwoegen in mijn tuin om hem in één klap kapot te laten maken door zo’n rotjongen als jij’.
Hij voelt een nieuwe steek, en klemt het mes nog wat steviger in zijn hand. Dan tilt hij zijn hand op tot de hoogte van zijn hoofd. De jongen doet een vertwijfelde poging er vandoor te gaan, maar hij grijpt hem bij zijn arm. Nu kan hij echt geen kant meer uit. De jongen begint te schreeuwen, hij heeft het gevoel in een droom te zijn terechtgekomen. Een hele levensechte droom. Een angstige droom, en er klopt iets niet.
Weer een steek. Met een schok schrikt hij wakker. Nu pas realiseert hij zich weer dat hij dat mes alleen maar had gepakt om zijn bal lek te prikken. God, één waanzinnig moment had hij het gevoel dat hij hem moest vermoorden. Verward laat hij de jongen los die het huilend op een lopen zet. Hij heeft geen interesse meer in de bal, noch in zijn rozen. Zijn vrouw had gelijk: er is echt iets mis met hem, en morgenvroeg gaat hij meteen een afspraak met zijn huisarts maken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s