Japske Rotsrover

Geplaatst: 23 april 2013 in Schrijven

Opdracht:
maak een anagram van de letters van je voor- en achternaam, je moet alle letters gebruiken. Bedenk een personage naar aanleiding van de ontstane naam. Breng dit personage in een voor hem of haar problematische situatie en laat zien hoe het zich daar al dan niet uit redt.

Jasper Verkroost => Japske Rotsrover

Deze opdracht werd uiteindelijk de basis voor mijn vervolgverhaal waarvan het de bedoeling is om er elke week een nieuw stuk aan te schrijven en dat mee te nemen voor de cursusles op donderdagavond.

===

1. De oude man (les 6, 25 oktober 2012)

Vermoeid van de inspanning bereikte hij eindelijk de top van de pass. Het was er verder doodstil, zelfs de wind leek haar adem te hebben ingehouden. Zover het oog hem reikte zag hij de glooiende vormen van bergen. Van boven meest kaal, maar meer naar onder begroeid met naaldbomen, uiteindelijk uitmondend in complete bossen. Diverse paadjes slingerende vanuit de onmetelijke diepte naar boven. Beneden hem, heel in de verte kon hij zelfs de eerste dorpjes ontwaren. Wat een duizelingwekkend uitzicht, even vergat hij waarvoor hij hier was gekomen. Japske controleerde de uitrusting in zijn leren tas. Het boek wat hem zo dierbaar was legde hij voorzichtig op een steen, dat kon hem nu niet meer helpen. Vervolgens kwam er een groot mes tevoorschijn. Hij hoopte maar dat de aanblik daarop afschrikwekkend genoeg zou zijn. Tenslotte haalde hij een stuk brood en een fles water uit de tas. Hij nam een strategische positie tussen twee rotsblokken in vanwaar hij wel naar beneden kon kijken, maar zelf niet was te zien. Het grote wachten was begonnen.

Hij moest zijn ingedommeld door de monotonie van het wachten en de langzaam hoger klimmende zon. Met een schok schrok hij wakker, al wist hij in eerste instantie niet waarvan. Maar ja, daar was het weer. De stilte werd doorbroken door een geritsel in de verte. Zijn hart sloeg een slag over toen hij ook voetstappen hoorde die een knisperend geluid maakte op het grindpad beneden hem. Even overwoog hij nog om te vluchten, maar hij besefte dat hij zijn vader dan nooit meer onder ogen zou kunnen komen. Hij haalde het mes uit z’n leren holster, posteerde zich in een bocht van het pad achter een hoog rotsblok en hield z’n adem in.  De stappen waren nu heel dichtbij. Op het moment dat een schaduw in de bocht van het pad verscheen sprong hij tevoorschijn met getrokken mes. In een flits stond hij oog-in-oog met een oude man met een lange baard, versleten kleren, een wandelstok en een juten zak op z’n rug. De man deed hevig geschrokken een paar passen naar achteren, struikelde over een steen, en viel languit op de grond. Langzaam kwam hij met het mes vooruit gestoken op de oude man af. Toen hij recht voor hem stond zag hij de angst in zijn ogen, maar omdat de man verder niet reageerde wist hij even niet wat hij moest doen. “Dit is een overval, als u alle spullen afgeeft zal u verder niets gebeuren. Echt niet”, zei hij en hoopte maar dat de man de onzekerheid in zijn stem niet zou horen.

De man herpakte zich en smeekte om zijn zak te mogen behouden. “Ik ben maar een oude arme man. Beneden in het dorp heb ik een zieke vrouw. Aan de andere kant van deze pass ligt een dorp waar ik wat spulletjes probeer te ruilen voor medicijnen. Alstublieft, in naam van mijn vrouw, spaart u mij”. Japske besefte dat dit moeilijker ging worden dan hij had verwacht. Over de psychologie van een overval had hij nooit onderricht gehad. “In naam van mijn vader, dwingt u mij niet mijn mes te gebruiken”, zei hij met trillende stem, en hij boog zich voorover naar de borst van de man. “Wacht, ik zie dat je daar een boek hebt, houd je van lezen?”. Japske was uit het veld geslagen door de plotselinge wending. Toch was hij geraakt door de interesse van de man voor zijn boek. “Ja, ik houd van lezen. Mijn oma heeft me dat geleerd toen ze nog leefde, maar ik heb maar één boek”. De ogen van de oude man lichtten op. “Lezen is het mooiste wat er is jongen”. Japske was te verbouwereerd om te reageren, en de man ging verder. “Ik reis regelmatig tussen deze twee dorpen, en kan je zoveel boeken bezorgen als je maar wilt. Japske dacht koortsachtig na, eerst over de boeken, en toen over z’n vader. “Weet je wat een list is?”, vroeg de man. Japske schudde zijn hoofd. “Dat betekent dat wij samen slimmer zijn dan jouw vader”.

Zwaar hijgend kwam Japske de grot binnenlopen. Zijn vader, een reusachtig man, wachtte hem al op bij de ingang. Hij aanschouwde zijn zoon. Hij had gescheurde kleren, schrammen over armen en benen, en een bebloed mes in zijn ene, en een juten zak in de andere hand. “Vader, ik heb gevochten als een leeuw, maar de man was heel sterk. Desondanks heb ik hem flink toegetakeld met mijn mes, en hem zijn bagage afgepakt. Helaas zat er slechts één zilveren ketting in zijn zak”. Er brak een glimlach door op het gezicht van zijn vader, die eindigde in een bulderende lach. “Wie had dat ooit nog gedacht van mijn Japske de Dromer. Niet slecht zoon, helemaal niet slecht voor de eerste keer. Kom binnen, ik vraag je moeder om meteen een feestmaal te bereiden, dit moeten we vieren!”. Toen Japske naar binnen liep kon zijn vader de  glimlach die om zijn lippen speelde niet zien, maar evenmin kon Japske de traan zien die zijn vader snel uit zijn ooghoek wegveegde.

2. De beloning (les 19, 7 februari 2013)

Na de geslaagde actie riep zijn vader hem de volgende dag al vroeg bij zich. Het was gisteravond laat geworden want alle mannen waren langsgekomen om Japske te feliciteren met zijn eerste actie. Er was zelfs al gesuggereerd dat Japske eens zijn vader zou opvolgen als hoofd van de Rotsrovers. Ondanks dat hij zijn eerste test goed had doorstaan had Japske die nacht slecht geslapen. Hij kon niet ontkennen dat hij gevleid was door alle aandacht die hij had gekregen. Hij werkte elke dag hard: ’s ochtends vroeg volgde hij onderricht in de edele kunst van het rotsroven, en de rest van de dag was hij druk met het onderhoud van de rotswoning, het verzamelen van voedsel in de lager gelegen bossen, en het halen van water in het bergmeer bij de grote waterval. En als het tegen zonsondergang tijd was om te gaan eten was hij doodmoe. Ondanks al het geploeter had de kleine Japske, die maar schril afstak bij het postuur van z’n vader, nooit enige aandacht gekregen. Maar nu hij zich in de ogen van het dorp had bewezen zouden er spoedig meer rooftochten volgen.

Japske gaapte luid terwijl hij van een kop warme veenbessensap nipte. Hij vroeg zich af wat zijn vader van hem wilde. Hij zou toch niet weer moeten gaan rotsroven? Zenuwachtig wipte hij van het ene been op het andere.
“Zoon, we zijn niet rijk, maar als je een wens hebt die ik voor je kan vervullen doe ik dat graag”.
Japske hoefde niet lang na te denken. “Vader, ik zou graag één dag vrij hebben om helemaal zelf te doen wat ik wil”.

Zijn vader had direct ingestemd met het verzoek, en dat kwam hem goed uit. Japske had wat spullen ingepakt en was meteen vertrokken. Terwijl naar de rand van het rotsdorp liep kwam hij zijn vriend Archibald tegen. Vroeger hadden ze vaak samen gespeeld, en ze kenden elkaar door en door. Ineens bevreemde het hem dat hij gisteravond niet langs was geweest om hem te feliciteren.
“Waar ga jij naar toe zo vroeg op de dag?”

“Heb je het niet gehoord? Ik heb mijn eerste rooftocht succesvol volbracht. Ik heb een oude man overvallen en hem een zilveren ketting afhandig gemaakt. Als beloning heeft mijn vader me een dag vrij gegeven!”.
“Ha, jij iemand beroven?”, schamperde Archibald.
Japske schrok van de toon van zijn stem. Zo kende hij hem helemaal niet. “Eens moest het toch gebeuren. Ik zat onder het bloed, maar heb gestreden als een echte Rotsrover”.
“Ik ken je al m’n hele leven en jij zou nog geen vlieg kwaad doen, laat staan een oude man beroven. Misschien wil je me vertellen wat er werkelijk is gebeurd?”. Archibald keek hem uitdagend aan.
Japske slikte. Hij zweeg een moment, maar herpakte zich daarna. “Geloof je me niet? Misschien kunnen we er een keer samen op uit gaan. Heb jij je eerste rooftocht al succesvol volbracht?”.
Het gezicht van Archibald betrok. “Ik moet geloof ik maar eens naar school. Geniet jij maar van je vrijheid, maar laat er je hoofd niet door op hol brengen!”.

Japske keek Archibald verbouwereerd na toen die zich met ferme passen van hem verwijderde. Maar al snel klaarde zijn humeur weer op en besloot hij zijn vrije dag niet te laten verpesten door dit akkefietje met zijn vriend. Hij had immers belangrijkere dingen te doen. Hij verliet het dorp en volgde een smal paadje omhoog, dezelfde weg als gisteren. Hij genoot van de natuur om hem heen die na de barre winter langzaam tot leven kwam. Op deze hoogte was de begroeiing wat minder weelderig, maar daarom niet minder mooi. Het gras aan weerszijde van het pad stond hoog door de overvloedige regenval, en was vergeven van paarse distels en diepblauwe Alpenklokjes. Hij kwam in de verleiding om hier gewoon langs het pad in het gras te gaan zitten om zich te laten opwarmen door de eerste stralen van de zon. Maar dat deed hij niet, hij liep zonder onderbreking verder, en een uur later was hij boven.

Hij keek over de andere kant de diepte in, maar kon niet veel zien. Het zigzaggende pad verdween een paar honderd meter bergafwaarts tussen de bomen. Hij hoopte maar dat de oude man vandaag al zou terugkeren met het medicijn voor zijn vrouw. Hij rilde. Kwam het door de kou of was het de gedachte dat hij hier gisteren nog had gestaan om te roven ten koste van alles? Het was heel wat minder aangenaam dan op de helling. Er stond meer wind dan gisteren die hier bovendien vrij spel had. Maar tijdens de lessen had hij geleerd dat overzicht cruciaal was voor elke rotsrover, en dus schikte hij zich in z’n lot. Alles wat hij nu nog kon doen was wachten..

3. Het bos (les 20, 21 februari 2013) 

De uren verstreken. Japske had zich genesteld tussen een paar lage rotsen. Zo hield hij het overzicht, en was hij enigszins beschut tegen de kou. Toen de zon hoog aan de hemel was geklommen en het tegen het middaguur liep was het ergste voorbij. De verveling werd er niet minder om. Japske had deze dag het liefst gebruikt om te gaan wandelen in de bergen, maar hij was bang die ene kans op een hernieuwde ontmoeting met de oude man mis te lopen. Van al zijn verlangens was die om een nieuw boek te kunnen bemachtigen de grootste. Hij koesterde zijn ‘De avonturen van Ruwrots’, een boek dat verhaalde over de grootste rotsrover die ooit in de omgeving had geleefd, maar vroeg zich tegelijkertijd af waarover er nog meer in boeken werd geschreven. Hij besloot dat het geen kwaad kon om alvast een stukje af te dalen naar het dorp waar de oude man gisteren naar op weg was geweest. Als die op de weg terug was zou hij hem zo alleen maar eerder ontmoeten, en zouden ze misschien een stuk samen kunnen oplopen naar de top. Japske zou hem dan vragen wat er zoal in boeken werd geschreven, en of hij eentje voor hem zou kunnen meenemen. Ingenomen met zijn plan rende hij uitgelaten het eerste stuk over het pad naar beneden.

Bij het bos aangenomen minderde hij vaart. Hij kwam nu op een plek waar hij nog nooit was geweest en wilde zoveel mogelijk genieten. Het verbaasde hem hoe donker het hier was. Hij liep dagelijks door de bossen onder zijn dorp als hij op zoek was naar zaden, noten en bessen, maar daar speelde het zonlicht ’s middags vaak vriendelijk door de bomen. Hier moest hij ondanks dat het midden op de dag was, moeite doen om het pad onder zijn voeten te onderscheiden. Dit moest een dennenbos zijn, hij had erover gelezen in zijn boek. Ruwrots overviel zijn slachtoffers vaak in het donker. Hij had zijn ogen getraind om te kunnen zien als een kat, waardoor altijd in het voordeel was. Japske bedacht zich dat dit een uitstekende plaats voor een roof zou zijn. Hij was even blijven staan terwijl hij zo stond te mijmeren. Plotseling hoorde hij een luid ‘oehoe’. Het geluid echode door het bos voordat het weer wegstierf. Japske was verrukt: uilen waren heel zeldzaam in deze regio. Hij had er ooit eerder één gehoord toen hij als jonge jongen samen met zijn moeder in het bos was geweest, terwijl ze hem onderricht gaf over het verzamelen van voedsel.

Vrolijk liep hij verder, tot hij plotseling in de verte iets hoorde. Eén van de specialiteiten van Japske was zijn uitstekende gehoor, en dat kwam hem nu goed van pas. Hij stond stil en luisterde. Onmiskenbaar het geluid van knappende takjes en dennenappels waarmee het pad bezaaid lag. Iets of iemand naderde hem! Zijn hart bonkte. Misschien was het de oude man, misschien iemand anders. Prompt wilde hij dat hij wat minder goed kon horen, en wat beter zou kunnen zien in het donker. Meer dan vage schimmen van wat bomen moesten voorstellen kon hij niet onderscheiden. Hoe zou Ruwrots deze situatie in zijn voordeel uitbuiten? Hij zou gebruik maken van zijn specialiteit. Japske wist dat er iemand aanstaande was, zijn opponent waarschijnlijk nog niet. Hij mocht geen enkel risico nemen, en besloot zich verdekt achter een boom naast het pad op te stellen. Als het dan toch zijn lot was om Rotsrover te worden dan was dit de kans om zichzelf te bewijzen. Misschien kon hij op z’n vrije dag wel thuiskomen met buit van een overval, dat zou hem vast en zeker onsterfelijk maken in het dorp.

Japske wachtte af terwijl de onbekende steeds dichterbij kwam. Hij deed een stapje achteruit om nog wat beter aan het zicht te worden onttrokken door de boom. Toen hij zijn linker voet neerzette, stapte hij op een tak die luid krakend protesteerde, en voor zijn gevoel een oorverdovend lawaai maakte. Daarna werd het doodstil. Japske vloekte inwendig. Had hij z’n positie verraden, en belangrijker nog: waar was de onbekende gebleven? Hij hield z’n adem in en wachtte. De stilte om hem heen was allesoverheersend. Het leek uren te duren. Tot zijn grote verbazing klonk er ineens een stem die een liedje begon te zingen. Eerst wat aarzelend, en met een paar onderbrekingen, maar daarna meer vastberaden, en zo zuiver als een nachtegaal. Dit was geen oude man of een gevaarlijke opponent, dit was de stem van een jong meisje. Nu hoorde hij ook het geluid van brekende takjes weer. Ruwrots had ongetwijfeld geen enkele mededogen met haar gehad, maar Japske twijfelde hevig. Hij kon haar toch niet gaan beroven? Hoe zou ze reageren als hij zich kenbaar zou maken? Deze gedachten raasden door zijn hoofd, terwijl het gezang steeds sterker werd en hij zelfs haar voetstappen kon horen. Hij moest een beslissing nemen en wel nu!

4. Sofie (les 21, 28 februari 2013)

Een moment later bereikte het meisje de plek waar Japske zich verborgen hield. Hij zou haar niet gaan overvallen, maar was wel nieuwsgierig naar wie ze was en wat haar hier bracht. En misschien had ze informatie over de oude man, of was ze hem tegengekomen. Hij kon niet bedenken hoe je een meisje moest aanspreken in een donker bos, dus zei hij gewoon “Hallo”. Dat ene woord miste zijn uitwerking niet. Het meisje schrok enorm, stopte abrupt met zingen, en slaakte een ijselijke gil. Ze draaide zich om en begon in paniek terug te rennen over het pad waar ze zojuist vandaan was gekomen. Eén moment lang was Japske verrast, daarna zette hij de achtervolging in. Al na een paar passen hoorde hij voor hem wat op de grond vallen. In het voorbij gaan ontwaarde hij de contouren van iets wat op een tas leek, daar zou hij zich later over bekommeren. Het werd al snel duidelijk dat het meisje niet gewend was om hard te lopen. Hij haalde haar gemakkelijk in. Vlak voordat hij haar bereikte maakte het pad een scherpe bocht naar links. In haar inspanning om weg te komen miste het meisje deze draai, liep rechtdoor, en struikelde toen ze een greppel in liep. Ze viel en slaakte een kreet toen ze op de grond terechtkwam.

“A-a-alsjeblieft, doe me niets”, smeekte het meisje.
” Laat me je helpen”, zei Japske terwijl hij z’n hand uitstak naar de schim voor hem. “Ik ben Japske Rotsrover”.
“B-b-b-ben jij een Rots-Rotsrover?”.
“Ik ben een vriendelijke Rotsrover”, zei Japske en hij maakte een theatrale buiging met één hand naar de grond.
Het meisje lachte cynisch. Ze leek zich wat te herpakken, en nam een moment om weer op adem te komen. De toon van haar stem veranderde. “Ik geloof je niet! Er bestaan geen vriendelijke Rotsrovers. Jullie zaaien enkel dood en verderf in het berggebied hier in de omgeving”.
“Je hebt gelijk”. Japske zuchtte. “Ik ben misschien wel geen echte Rotsrover. Mijn vader wil dat ik ook ga meedoen met roven, maar ik kan het niet. Ik ga veel liever een stuk wandelen in de omgeving om te genieten van de natuur”.
“Een Rotsrover die van de natuur geniet, wat een belachelijke opmerking”, schamperde het meisje.
“Nou, nog geen half uur geleden hoorde ik een uil hier in het bos, dat was zo geweldig”.
Het meisje was even stil. “Je liegt!”, vervolgde ze. “Er zijn geen uilen in dit bos, anders had ik het wel geweten”.
“Echt”, zei Japske, en hij deed z’n best om een goede imitatie te geven van het geluid dat hij zojuist had gehoord.
“Je hebt echt een uil gehoord! Waar zat ie? Ik ben al zo lang op zoek naar een uil!”. Er klonk iets van wanhoop in haar stem.
“Misschien kunnen we samen een keer gaan zoeken”, zei Japske peinzend. Hij reikte met z’n rechterhand naar die van het meisje, en hielp haar overeind te komen. “Gaat het wel, heb je je ernstig bezeerd?”.
“Het valt wel mee denk ik”, zei ze toen ze weer op haar benen stond. “Wat schrammen”.
“Het spijt me dat ik je zo heb..”, begon Japske.
“Mijn tas, waar is mijn tas!!”, riep het meisje, en ze dreigde weer in paniek te raken. “Ik moet nu mijn tas hebben!”.
“Hij ligt een stukje terug op het pad, kom we lopen er naar toe”, zei Japske gemoedelijk.

Het meisje zuchtte van opluchting toen ze even later de linnen tas weer over haar schouder hing. “Mijn naam is trouwens Sofie”, zei ze, en in het schemerduister schudden ze elkaar de hand.
“Zal ik een stuk met je meelopen? Waar ga je naar toe?”
“Ik ben op weg naar het dorp achter de pass om wat spulletjes voor m’n opa te bezorgen. Normaal loopt hij in twee dagen op en neer, maar hij wordt oud, dus vandaag neem ik het van hem over”.
“In twee dagen op en neer, dus gisteren..”. Japske maakte z’n zin niet af.
“Wacht even. Je houdt zeker ook van boeken? Jij was die jongen die hij gisteren op de pass tegenkwam! Hij vertelde me dat hij met een mooi verhaal over boeken en een goedkope imitatieketting langs jou en je mes was gekomen”.
“Goedkope imitatieketting??”. Japske begon het ineens heel erg warm te krijgen.
“Ja, je dacht toch niet dat hij je een echte zilveren ketting zou meegeven? Je bent wel een beetje naïef Japske. Kom, laten we gaan, dat kun je meelopen tot op de pass”.

En zo liepen Japske en Sofie samen terug. Omdat Japske niet goed wist waar hij over moest beginnen zweeg hij, en luisterde naar de stem van Sofie die weer was begonnen met zingen. Hij was benieuwd hoe ze er uit zou zien. Zodra ze het bos uit waren zou hij het weten. Toch nog onverwacht naderden ze de rand, en viel het eerste zonlicht op het tweetal. Japske draaide onopvallend zijn gezicht opzij, en bleef prompt stilstaan. Hij staarde naar het gezicht van Sofie en kon nergens anders meer naar kijken: het zat onder de rode vlekken.
“Wat is er, zie ik er nu ineens niet knap genoeg meer uit? Lezer, natuurmens, uilenliefhebber, allemaal bullshit! Je bent net als alle anderen in mijn dorp. Ik hoef jouw gezelschap niet!”.
“Wacht, zo bedoelde ik het niet”. Japske raakte met zijn linkerhand de schouder van Sofie, die zich meteen losrukte.
“Laat me los, en rot op!”. Sofie begon zo hard mogelijk de pass op te rennen. Japske wist niet wat hij moest doen, en liet haar gaan. Al snel zakte haar snelheid, en een paar minuten later bereikte ze in wandeltempo de top. Toen ze uit het zicht verdween, voelde hij een enorme eenzaamheid over zich komen. Japske ging mismoedig in het gras zitten, en verborg zijn hoofd in z’n handen. Zo bleef hij daar een paar tellen zitten tot hij een schreeuw hoorde die door merg en been ging. Tot zijn grote verbazing kwam Sofie de pass weer afgerend. Achter haar verscheen een figuur op de top. Ondanks de afstand van enkele honderden meters was het Japske direct duidelijk wie het was..

5. Archibald (les 22, 7 maart 2013)

Als Sofie bij Japske is aangekomen laat ze zich hijgend in het gras vallen. “Hij, hij..”. Ze hapt naar adem terwijl ze een zin probeert te vormen. “Hij dreigde me te vermoorden.. als.. als ik m’n tas niet zou afgeven”.
Doodkalm komt de figuur de heuvel afgewandeld. Nonchalant schopt hij met z’n voeten tegen de steentjes die op het grindpad in de afdaling liggen. Zo komt hij stap voor stap naderbij. Op een meter of tien blijft hij stilstaan. Japske slaat zijn arm beschermend om Sofie heen.

“Zo Japske, wat een bijzondere ontmoeting. Dit zullen ze in het rotsdorp niet leuk vinden. Flirten met de dorpsbewoners. Ik moet dat onderricht gemist hebben, maar wanneer heb je dat geleerd?”.
“Archibald.. wat doe jij hier?”.
“Kijk Japske, als jij twee dagen achterelkaar dezelfde zware tocht naar boven maakt doe je dat niet om naar de vogeltjes te gaan kijken. Dus ik heb vanochtend even gekeken welke kant je uitging. Ik wilde deze kans om van een echte Rotsrover te leren niet aan me voorbij laten gaan. Want dat ben je toch na gisteravond: een èchte Rotsrover?”.
Sofie draait haar hoofd naar Japske die achter haar staat.
“Eh Sofie, ik denk dat ik je even moet voorstellen. Dit is Archibald. Hij is.. was.. mijn vriend.. ik weet het niet meer. Maar vroeger hebben we veel tijd met elkaar doorgebracht. We speelden dan rovertje in het bos”.
“Dat was vroeger Japske, maar de tijden zijn veranderd. Ik ben opgegroeid en wil nu een echte Rotsrover worden”.
“Dat snap ik Archibald, maar kun je in naam van onze oude vriendschap echt geen ander slachtoffer zoeken?”.
“Laat ik het zo simpel mogelijk voor je maken. We zijn inderdaad heel lang bevriend geweest, dus je hebt recht op de waarheid. Door omstandigheden zijn mijn eerste twee roofpogingen mislukt. Maar in tegenstelling tot jou Japske ben ik daar steeds eerlijk over geweest naar mijn vader en de andere dorpsgenoten. Maar dat heeft me in een lastige positie geplaatst. Mijn roof van vandaag moét slagen”.
“En anders?”. Zenuwachtig hupt Japske van het ene been op het andere.
“Er is geen ‘anders’ Japske. De vraag is alleen of jij gaat meewerken of niet. Het is nog niet te laat, je kunt nog steeds de juiste keuze maken. Als wij straks samen met die buit thuiskomen zul je mij niet meer horen over die oude man of  wat ik vandaag heb gezien. We zouden in de toekomst samen op rooftocht kunnen gaan, en de schrik van de omgeving worden. Jij en ik, net als vroeger!”.

Japske slaat z’n handen voor z’n ogen. Hij hoopt op een heldere ingeving. Archibald of Sofie, Rotsrover of verstoten worden uit het rotsdorp. “Ik.. ik kan geen keuze maken”, brengt hij stamelend uit.
“Dat is nou weer typisch voor jou Japske, keuzes maken was nooit je sterkste kant. Laat me je een handje helpen”.
Archibald haalt z’n mes tevoorschijn. Het metaal blikkert in het zonlicht.
Japske heeft het gevoel dat z’n hersens kortsluiting maken. Dit was het grootste mes dat hij ooit had gezien. Het had niets uitgemaakt als hij het zijne vandaag wel had meegenomen. Gejaagd kijkt hij om zich heen. Op een paar meter van hem vandaan ligt een stevige stok in het gras. Geen partij voor het mes, maar het enige dat voorhanden is.
Sofie richt haar hoofd op en kijkt Japske angstig aan.
“Niet doen Japske, hij zal je vermorzelen”.
Japske laat Sofie los, en legt zijn vinger op zijn mond. Hij kijkt Archibald recht in de ogen. Het is nu of nooit. Hij haalt nog één keer diep adem en schiet dan weg richting te stok. “Nu, rennen Sofie!!”.
Sofie rent weg richting het bos, maar is nog zichtbaar vermoeid van haar eerdere inspanning. Archibald is even verbaasd, maar stormt dan brullend achter Sofie aan. Japske heeft de tak inmiddels te pakken. Een fractie van een seconde focused hij, ineens ziet hij de omgeving heel helder voor zich, en alles om hem heen lijkt te vertragen. Dan zwaait hij zijn arm naar achter, en slingert met een welgemikte worp de tak naar voren.
Archibald schreeuwt het uit, en zakt op z’n knieën. Hij voelt met z’n hand aan z’n achterhoofd, en steekt  daarna z’n bebloede vingers demonstratief omhoog. “Japske, ik zweer je, dit was de laatste fout die je hebt gemaakt!”.

6. Verliezers (les 23, 14 maart 2013)

Als Japske Sofie de bomenrand ziet bereiken slaakt hij een zucht van verlichting: zij is voorlopig veilig. Archibald staat nog enigszins wankel op maar draait zich dan kordaat om. Even speelt de gedachte door Japske’s hoofd om het op een duel aan te laten komen, maar als hij het van haat doortrokken gezicht van Archibald ziet bedenkt hij zich. Hij heeft meer kans als hij de helling van de pas weet te bereiken. Dat valt niet mee: het afgelopen uur heeft zijn tol geëist. Hij hoort het briesende en stampende monster snel naderbij komen. Zijn benen voelen zwaar, en hij is nu al buiten adem. Dan komen de steken in zijn zij.
Japske probeert zichzelf nog één keer op te peppen. “Alles of niets, leven of dood”. Zijn lichaam wil niet luisteren. “Ik had harder moeten gooien met die stok”, schiet het door hem heen. Maar voor zelfbeklag is het nu te laat. Flarden volgen elkaar in hoog tempo op. “Ik had zo graag een nieuw boek willen lezen.. nog zoveel te ontdekken.. waarom ben ik geen echte Rotsrover?.. het rotsdorp.. papa.. mama.. Sofie..”.
Een vlammende pijn schiet door zijn rug. Hij wordt met volle kracht tegen de grond gebeukt. Even is hij versuft, dan voelt hij een stalen greep zich om z’n nek sluiten. Hij hapt naar adem. Hij draait zijn hoofd opzij, en in blinde paniek graait hij om zich heen. “Een steen, een steen moet ik hebben”. Die gedachte is de enige die hem nu nog bezig houdt. Al grabbelend met z’n linkerhand krijgt hij iets te pakken. Hij knijpt: het voelt hard.. het voelt koud.. het voelt glad.. Als Japske zijn hoofd naar dat van Archibald draait om z’n doelwit te bepalen ziet hij nog net een ziedende vuist aankomen. Dan wordt alles zwart.

Heel ver weg klinkt een ruisend geluid. Als in een droom. Nee wacht, daar komt het langzaam dichterbij. Doffe pijn schiet door z’n hoofd als hij deze probeert op te richten. Hij is bang voor wat hij zal aantreffen, en neemt eerst een moment om de pijn te laten zakken. Dan opent hij voorzichtig zijn ogen. Een regen van sterretjes. En grijs, veel grijs. De schemering heeft bezit genomen van de omgeving. Heel voorzichtig draait hij z’n hoofd en kijkt om zich heen. Hij ligt onderaan een helling op een pad bezaaid met keien en steentjes. Behalve het geluid van de wind is het doodstil. Beelden schieten door z’n hoofd, en spatten als zeepbellen uiteen. Een tijdlang blijven te komen. Hij laat ze komen. Dan wordt hij rustiger. Langzaam dringt het besef tot hem door: hij leeft nog. Voorzichtig probeert hij z’n armen en benen. Die reageren nog op commando. Alles lijkt nog in orde, op die stekende hoofdpijn na. De vuist van Archibald. Maar waar is hij gebleven? En waar is Sofie? Heeft ze weten te ontsnappen of is ze..?

Japske probeert op te staan. Een golf van misselijkheid gaat door hem heen, maar hij vermant zich. Een sterke drang trekt hem terug naar het bos. Hij moet naar het bos. Alle antwoorden die hij nu nog zoekt liggen besloten in dat bos, daar is hij van overtuigd. Voorzichtig zet hij een paar passen. Hij moet de neiging onderdrukken om te gaan rennen. Rustig blijven, stapje voor stapje. Hoewel z’n hoofd blijft bonken is de pijn draaglijk. Hij zet de eerste passen tussen de bomen. De koelte is aangenaam, en doet hem goed. Een beetje besluiteloos blijft hij even staan. Nog steeds is het doodstil, en hij heeft geen idee waar hij naar toe moet. Hij besluit het pad te nemen waar hij een paar uur geleden met Sofie nog over heeft gelopen. Nu hoort hij een paar vogels fluiten, en de eerste krekels zijn ook al op. De typische bosgeluiden brengen hem in een soort trance. Met het pad als gids wordt hij langzaam maar zeker steeds dieper het bos in geleid.

Er moet ongeveer een half uur verstreken zijn. Japske begint moe te worden, en hij wordt weer misselijk. Plotseling blijft hij stilstaan. Heel even meende hij een geluid te horen dat niet in de sfeer van een langzaam inslapend bos past. Een hoog bijna jankend geluid. Japske doet z’n ogen dicht, kantelt z’n hoofd, en probeert zich te concentreren. Niets. Hij doet een paar passen en staat dan abrupt weer stil. Daar was het weer. Zouden er wolven in het bos zijn? Onwillekeurig rilt hij bij de gedachte. Nu hoort hij het opnieuw. Op zijn gehoor blijft hij het pad volgen. Dan is het weer stil. Misschien toch een wild dier dat op zijn nadering op de vlucht is geslagen? Maar wacht eens, wat is dat daar recht voor hem op het pad? Japske ziet een vormeloze hoop liggen. Ze snel zijn hoofd het hem toestaat spoedt hij zich naar de plek. De schaduwen nemen langzaam een concretere vorm aan. Als hij vlakbij is stokt zijn adem. De contouren zijn onmiskenbaar van een mens, die op z’n zij met het hoofd van hem afgewend ligt. Japske knielt voorzichtig bij de levenloze figuur en trekt aan de schouder. Hij schrikt even als het lichaam onverwacht op z’n rug rolt. Nu krijgt het vorm. Een schokgolf gaat door hem heen: wat is hier gebeurd?!

7. Redding (les 24, 21 maart 2013)

Het is nu vrijwel donker in het bos. Toch twijfelt Japske geen moment over het lichaam dat voor hem op het pad ligt. Opnieuw ontsnapt er een jammerende kreun. Hij denkt terug aan eerder die middag: Archibald heeft hem laten leven. Hij legt z’n hand op zijn voorhoofd.
“Aggi, ik ben het, Japske. Hoor je me?”.
Het blijft even stil. Zachtjes herhaalt Japske zijn vraag.
Er trekt er een siddering door het lichaam. “Aaggi.. lang geleden”, prevelt Archibald zwakjes en bijna onhoorbaar.
“Wat is er met je gebeurd? Waar is Sofie? Waarom heb je me laten leven?”. De eerste tranen lopen over z’n wangen en vinden hun weg naar beneden bij het stellen van die laatste vraag.
“Vvveel vragen.. nniet nu.. hhulp halen”.
“Ben je gewond? Kun je opstaan?”.
Archibald ademt diep in alsof hij energie verzamelt om nog iets te zeggen, maar er komt niets meer.
Japske pakt hem bij z’n schouders en schudt hem paniekerig heen en weer, “Aggi, zeg wat!”.
Het blijft stil in het bos. Hij aarzelt even. Kan hij Archibald hier wel laten liggen? De kans niet groot dat er vanavond nog iemand over dit pad komt. En als hij nog lang wacht is het misschien te laat.
Japske trekt z’n T-shirt uit en drapeert deze voorzichtig over z’n gewonde vriend. “Ik ga hulp halen, nog even volhouden, we zijn zo terug!”. Terwijl hij deze woorden uitspreekt beseft hij dat het uren zal duren voordat hulp ter plaatse is. Hij hoopt dat Archibald hem nog heeft gehoord en moed heeft geput uit z’n laatste woorden.

Als hij weer boven op de pas staat stopt hij om te rusten. Hij kijkt om zich heen. De bijna volle maan staat aan de wolkenloze hemel, en zet de omgeving in een spookachtig schijnsel. Hij kan zelfs de contouren van het rotsdorp diep beneden hem zien, maar als je niet wist dat het er was zou je de aanwezigheid ervan nooit vermoeden.
Onderweg heeft hij nagedacht over de vragen die zullen komen. “Wat is er met jullie gebeurd?”. Hij zal met een goed verhaal moeten komen om geen argwaan te wekken. “We zijn in het bos aangevallen door een groep mannen”, is het beste wat hij heeft weten te bedenken. Dat zou de verwondingen van beide verklaren, want Japske beseft dat hij er zelf momenteel ook niet heel florissant zal uitzien.

Hij is blij als hij weer op vlak terrein is. In de afdaling heeft hij door de vermoeidheid een aantal schuivers gemaakt. Eén keer viel hij bijna achterover, en kon hij ten koste van een aantal schrammen zijn val nog ternauwernood breken met z’n handen. Nog even dan is hij eindelijk thuis. Hij kijkt in de richting van het rotsdorp. Merkwaardig. In de verte ziet hij een paar dansende lichtjes. Hij wrijft in z’n ogen. Er zijn strikte regels voor het gebruik van licht na zonsondergang om de locatie van het rotsdorp niet prijs te geven. De schrik slaat hem om het hart: misschien is er wel een zoektocht naar Archibald en hem gestart. Als het zo groots wordt aangepakt zal straks iedereen in het dorp zich met hen gaan bemoeien. Dan wordt het nog lastiger om een sluitend verhaal te leveren. Japske denkt even na. Afhankelijk van de situatie van Archibald zullen ze hem ook vragen gaan stellen. Als hun verhalen te ver uiteen lopen komt hij sowieso in grote problemen.

Hij ontwaakt uit zijn overpeinzingen omdat één van de lichtjes in snel tempo op hem af komt. Hij ziet een grote donkere gestalte met een toorts uit de duisternis verrijzen. Het flakkerende vuur verlicht net genoeg van het gezicht van de man om te zien dat het.. de vader van Archibald is.
De man draait zich om. “Allemaal hierheen, ik heb Japske gevonden!”. Zijn stem buldert door de vallei.
Overmand door de vermoeidheid zakt Japske door z’n knieën. Van alle kanten komen lichtjes naderbij.
De vader van Archibald legt z’n grote hand op de schouder van Japske. Hij licht bij met z’n toorts. “Allemachtig, wat is er met jou gebeurd? Je ziet er vreselijk uit. En waarom is Archibald niet bij je? Vertel me alsjeblieft, waar is hij?”.
Even staart Japske wezenloos voor zich uit, dan zakt hij neer op de grond.

Als hij weer bij komt zijn z’n gezicht en kleren nat. De vader van Archibald staat met een half lege emmer water voor hem. Verdwaasd kijkt Japske rond. Een aantal mannen van het dorp staan met hun toortsen in een kring om hem heen, en verlichten zo de cirkel waarin hij ligt.

8. Het verzoek (les 24, 21 maart 2013)

Net als afgelopen nacht had Japske ook nu de slaap weer niet kunnen vatten. Nadat hij zijn verhaal had gedaan aan de mannen uit het dorp, hadden die onder leiding van de vader van Archibald direct een reddingsoperatie op touw gezet. Ondertussen hadden zijn ouders zich over hem ontfermd. Zijn moeder had de verwondingen aan zijn hoofd verzorgd, en hem verzekerd dat het niet ernstig was. Zijn vader was zakelijk geweest, en had gezegd dat hij nu eerst maar eens goed moest rusten, maar dat hij morgen een goed gesprek van vader tot zoon met hem wilde hebben. Dat was het eerste wat hem die nacht had beziggehouden. Wat wist zijn vader van de afgelopen twee dagen? Midden in de nacht waren de dorpelingen met de gewonde, maar tot grote opluchting van Japske nog levende Archibald teruggekeerd in het dorp. Hij had een zware hersenschudding doordat iemand meerdere malen met een hard voorwerp op z’n hoofd had geslagen. Naar omstandigheden leek het mee te vallen, maar hij moest nu veel rust hebben, zo had de roversdorpsdokter zijn ouders bevolen. Door alle commotie waren er nog geen vragen gesteld over het hoe en waarom, maar Japske twijfelde er niet aan dat het vragenvuur spoedig zou ontbranden.

Toen de dageraad aanbrak, en Japske net dodelijk vermoeid in een onrustige slaap was terechtgekomen, werd er hard op de ingang van de rotswoning gebonkt.
“Japske, ben je al wakker?”, dreunde de stem van de vader van Archibald door de woning.
Slaapdronken stond hij op, en liep naar de ingang.
“Het is nog erg vroeg, na al die commotie van gisteren. Maar mijn zoon heeft de hele nacht voortdurend naar jou gevraagd. Ga hem maar even opzoeken, hopelijk krijgt hij dan de rust die hij zo hard nodig heeft”.
In het voorbijgaan kneep de vader hem even in zijn wang. “Bedankt jongen, zonder jou was..”. Hij legde zijn hand voor zijn ogen, alsof hij bang was zijn emoties te tonen. “Ga maar, hij wacht al op je!”.

Behoedzaam en op zijn tenen om maar zo min mogelijk geluid te maken, schuifelde Japske de donkere slaapkamer van Archibald binnen. Hij ligt doodstil op z’n bed, en maakt geen geluid als Japske binnenkomt. Het is bijna of hij toch niet meer in leven is. Hij knielt naast het bed van zijn vriend, en pakt hem voorzichtig bij z’n arm.
“Aggi, ben je wakker? Ik ben het, Japske”.
Voorzichtig opent Archibald z’n ogen. “Japske, mijn vriend, wat fijn dat je eindelijk hier bent”.
Japske wrijft de opwellende tranen uit z’n ogen. “Aggi, ik was zo bang dat je.. Wat is er allemaal gebeurd gisteren?”.
“Later Japske”. Archibald sluit z’n ogen weer. “Je moet nog één keer iets voor me doen”.
“Iets voor je doen, ik begrijp het niet”. Japske kijkt verbouwereerd naar zijn vriend. “We moeten even praten om onze gezamenlijke strategie te bepalen, en daarna moet jij rusten”.
“Ga terug.. Naar het bos.. Zo snel mogelijk”.
“Aggi, waar heb je het over? Je vader zei al dat je de hele nacht hebt liggen ijlen. Wat vertel ik straks mijn vader als hij vragen begint te stellen? Wat zeg ik tegen de dorpsgenoten?”.
“Dat dorpsmeisje, ze is daar iets verloren”. Archibald neemt nog een teug lucht. “Dat moét ik hebben”.
“Fijn dat je even hier bent jongen, maar mijn zoon moet nu rusten”.
Japske draait zich om. In de opening van de kamer staat de moeder van Archibald. Hij heeft haar niet horen aankomen. Hoe lang staat ze daar al, en wat heeft ze gehoord?

“Je vader heeft het je zeker al verteld”, zegt ze als ze hem naar de uitgang begeleidt.
Japske vraagt zich af wat hij gehoord moet hebben. Hij begrijpt niet waar ze het over heeft.
“We willen allemaal graag weten wat er gisteren is gebeurd. Er is straks als de zon op het hoogste punt staat een vergadering op het dorpsplein waarbij alle wijze mannen aanwezig zullen zijn. Daar mag jij je verhaal vertellen. En wees vooral niet bang Japske, de waarheid kan je geen pijn doen”.
Ze legt haar hand op zijn schouder. “Je bent een moedige jongen. Ga nu nog maar even wat rusten!”.

Even later staat Japske weer buiten. Hij kan onmogelijk nu zijn verhaal doen voor de dorpsraad. Eerst moet hij antwoorden hebben op zijn vragen. Hij gaat niet terug naar huis. Zonder verder te aarzelen neemt hij de weg via het dorpsplein. Niet veel later begint hij voor de derde keer in drie dagen aan de beklimming naar de pas..

9. Terug naar het bos (les 25, 28 maart 2013)

Japske kijkt uit over de weidse omgeving. Ondanks de lichte hoofdpijn gaat de klim hem steeds beter af. Hij haalt diep adem en vult z’n longen met zuivere lucht. Het is goed hier, al bijna vertrouwd. Dan wordt z’n blik onwillekeurig naar beneden getrokken. Daar ligt het donkere bos. Bedrieglijk stil en gesloten, alsof het zijn geheimen nog niet wil prijsgeven. Daar zijn dingen gebeurd. Hij heeft ze het afgelopen uur proberen te begrijpen. Langzaam verdwijnt de rust, en er komt een ongemakkelijk gevoel voor in de plaats.

Losjes wandelt hij naar beneden, als ware het onderdeel van een ontspannen wandeling. Alsof hij iemand probeert te overtuigen dat er niets aan de hand is. Onderaan de helling staat hij even stil. Zijn gedachte gaan terug naar de dag van gisteren. Heel even ziet hij het gezicht van Archibald weer op z’n netvlies. Haat. Hij maakt een snelle beweging met z’n hoofd en probeert de gedachten te bannen. Hij bukt en raapt een willekeurige steen op, niet te groot, en stopt deze in zijn broekzak. Even blijft hij besluiteloos staan. Half en half verwacht hij een teken, iets dat hem richting zal geven. De wind blaast om z’n oren, maar verder blijft het doodstil. Er is geen ontsnappen aan.

Japske vraagt zich af of hij de locatie waar hij gisteren Archibald heeft gevonden nog kan terugvinden. Hij kan zich weinig kenmerken van de omgeving meer herinneren, anders dan dat hij op een recht stuk van het pad lag. Misschien komt er meer terug als hij het tegenkomt. De tijd is zijn enige echte aanknopingspunt. Als hij daar conservatief mee omgaat is het een kwestie van alle rechte stukken in de directe omgeving afzoeken. Slechts.. Hij begint te lopen, en merkt dat hij meer details kan onderscheiden dan gisteren. Zijn ogen beginnen aan de duisternis te wennen, en ineens begrijpt hij hoe Ruwrots aan zijn kattenogen moet zijn gekomen.

Hoe verder hij het bos in loopt hoe onrustiger hij wordt. Is hij niet al te ver? Moet hij niet beginnen met zoeken?  Maar waar is hij naar op zoek? Op goed geluk begint hij op een lang recht stuk. De omgeving komt hem niet bekend voor. Op het pad is weinig anders te zien dan veel zand, steentjes, kleine takjes en dennenappels. Hij schopt met z’n schoen over het pad om te kijken of er wat tevoorschijn komt. Een stofwolk dwarrelt op, en doet hem luid niezen. Japske zucht: dit is onbegonnen werk. Terwijl de echo langzaam wegsterft spitst hij z’n oren: het gedempte geluid van rennende voetstappen, en ze verwijderen zich van hem! Japske aarzelt niet en zet de achtervolging in. Het geluid wordt al snel sterker, en na de volgende bocht ziet hij een schim voor zich uitrennen. Is dat niet..
“Sofie, wacht, ik ben het, Japske!”
De schim houdt abrupt in en draait zich om. Japske overbrugt de laatste meters op een drafje.

“Japske, ik dacht dat je.. dood was!”
“En ik was zo bang dat jou iets was overkomen! Wat doe je hier? Wat is er gisteren in het bos gebeurd?”
Sofie slaat haar handen voor haar gezicht en begint onbedaarlijk te snikken. Even weet Japske zich geen houding te geven. Dan trek hij haar instinctief naar zich toe en slaat een arm om haar heen. Sofie laat hem begaan. Haar lichaam schokt, en ze huilt met gierende uithalen. Het duurt een paar minuten voor ze wat tot bedaren komt. Dan kijkt ze voorzichtig op. Japske laat haar los en probeert haar in de ogen te kijken.
“Is Archibald..”
“Nee, hij leeft nog, maar hij is zwaar gewond aan z’n hoofd. De mannen uit mijn dorp hebben hem gisteravond laat uit het bos geëvacueerd.”
Sofie slaakt een zucht van verlichting. “Ik.. ik wilde het helemaal niet. Hem dood.”
“Maar wat is er dan gebeurd?”
Er valt een stilte. Sofie lijkt te overwegen of ze hem iets wil vertellen en wat.
“Oké.. zullen we even langs het pad gaan zitten?”
Japske kijkt naar het pad onder zijn voeten. Aan de randen loopt het iets naar boven, waarna dicht opeengepakte naaldbomen verder afdwalen bijna onmogelijk maken. Wie dit pad heeft aangelegd heeft daar beslist een hoop moeite voor moeten doen.
Hij zakt voorzichtig door z’n knieën en gaat op de rand zitten, z’n benen naar het midden gericht. Sofie komt naast hem zitten. Ze snottert nog wat, en haalt een keer diep adem. Dan begint ze te vertellen.

10. De ketting (les 26, 4 april 2013)

“Nu, rennen Sofie!!”
Als door een katapult afgeschoten schiet ze weg, met maar één doel voor ogen. Ze heeft nog maar een paar passen gedaan als ze een brullend geluid achter zich hoort.. en het klinkt niet alsof het van Japske komt.
“Het bos, het bos, het bos”, gaat het als een mantra door haar hoofd.
Zware elkaar snel opvolgende stappen achter haar. Ze verwacht elk moment de grote handen van Archibald om haar middel om haar meedogenloos naar de grond te sleuren. Ze heeft zijn gezicht gezien, hij zal geen mededogen hebben. Dan hoort ze een dof geluid gevolgd door een schreeuw. “Niet omkijken, blijven rennen!”, houdt ze zichzelf voor. Ze bereikt de rand van het bos en blijft als in een trance rennen tot de kramp in haar benen haar dwingt om de strijd op te geven. Snikkend zakt ze door haar knieën. Ze wacht en wacht, en wacht. Maar er gebeurt niets en het is stil om haar heen. Als ze omkijkt is het bospad verlaten.

Nadat ze op adem is gekomen probeert ze op te staan. Dat lukt, maar als ze probeert te lopen schiet de kramp in haar linkerbeen. Ze gaat zitten, de benen gestrekt, en reikt met haar handen naar de puntjes van haar tenen om de spieren ontspannen. Ze heeft meer rust nodig, maar veel tijd heeft ze niet. Ze is er van overtuigd dat wat het ook is dat Archibald heeft opgehouden van tijdelijke aard zal zijn. Ze opent de tas en haalt er een in vloeipapier gewikkeld pakketje uit. Voorzichtig wikkelt ze het semi-transparante papier eraf. Ze weegt de kostbare ketting in haar handen: van echt zilver, en bewerkt met een veelheid aan gekleurde steentjes, die schitteren bij de inval van het geringste straaltje zonlicht. Hier in het bos lijkt het een doodgewone ketting. Ze zoekt verder in haar tas en vindt de plastieke met bloemetjes versierde etui. Ze ritst hem open en haalt er na wat rommelen een nagelschaartje uit, waarmee ze de onderkant van haar jute tas begint te bewerken. Na vijf minuten is er een mooi gat in de bodem ontstaan. Ze pakt de ketting van haar schoot en controleert of deze door het gat kan. Dat past precies.  Nu een goede plek vinden om het kleinood te verstoppen. Ze kijkt om zich heen. Er groeien hier grote varens over de rand van het pad. Ze zoekt een geschikte plek waar het bladerdak zo dicht is dat het zand eronder niet is te zien. Even twijfelt ze of ze hem weer zal inpakken maar het papier zou de locatie kunnen verraden. Ze schuift de ketting zo ver mogelijk onder de varens naar de rand van het pad, en herschikt de grote geveerde bladeren. Perfect! Die kan zal later ophalen. Ze neemt even een moment om zich de plek goed in te prenten. Nu een geschikte plek zoeken om zich te verstoppen.

Ze staat op, en schuifelt met kleine pasjes vooruit. Dat gaat. Ze kijkt om zich heen. Het dennenbos is enorm dicht. Voorzichtig probeert ze zich tussen de eerste bomen door te wringen. Als ze tien meter gevorderd is kijkt ze achterom en schrikt: het pad is al haast niet meer te zien. Ze durft niet verder het bos in, bang dat ze de weg niet zal kunnen terugvinden. Dan stoot ze met haar enkel tegen de rand van een boomstronk. Voor haar is het pikdonker. Op de tast gaat ze voorzichtig over het oppervlak van de gevelde boom. Mooi glad, die lijkt wel door mensenhanden te zijn geveld. Doodmoe van alle inspanning zakt ze neer op de stronk. Misschien kan ze hier wachten tot het gevaar geweken is.

“Kom er maar uit dorpsmeisje, nu kun je me niet meer ontsnappen!”
Met een schok schrikt ze wakker, ze moet in slaap gevallen zijn. Hoe kon ze zo onvoorzichtig zijn. Ze tast naar haar tas, maar kan hem niet vinden. “Nu niet in paniek raken Sofie!”, spreekt ze zichzelf bemoedigend toe. Ze tast om zich heen naar iets om zich te verdedigen, en prikt zichzelf aan de vele naaldjes die op de grond liggen. Dan raakt haar rechterhand iets houtachtigs, snel tast ze met haar vingers het oppervlak af: dat moet een stevige tak zijn. Ze bukt en pakt de tak met twee handen vast, maar raakt meteen een boom met één van de uiteindes. Erg wendbaar is ze zo niet, maar het moet maar.
“Ik blijf hier niet wachten. Als je niet uit jezelf tevoorschijn wilt komen, kom ik je wel halen.”
Onmiddellijk hoort ze een luid gekraak van takken voor zich. Vanaf het pad nadert een schim. Ze zet zich schrap. De schim komt nu heel dichtbij. Op goed geluk zwaait ze de tak naar achter. Even tikt deze tegen een boom. De schim kijkt op waar het geluid vandaan komt. Op dat moment zwiept ze de tak met volle kracht over haar schouder naar voren. Ineens voelt ze een enorme weerstand in haar handen, direct daarop een doffe knal en een geluid van krakend hout. Luid brullend zakt de gedaante voor haar in elkaar. Opnieuw zwaait ze naar achter en mikt nu lager, nog een kreun. Sofie staat te trillen op haar benen. Een moment later is het weer doodstil in het bos.

11. Japske’s keuze (les 27, 11 april 2013)

Een moment is het stil in het bos, en Japske kijkt Sofie aan. “En toen, hoe kwam hij midden op het pad?”
“Ik kon hem daar toch niet laten liggen?” De stem van Sofie klinkt verontwaardigd. “Je geloof niet hoeveel moeite het me heeft gekost, maar ik heb hem aan z’n benen het pad opgesleept in de hoop dat iemand hem zou vinden.”
“Dat was ik dus.”
“Ik was bang dat Archibald je misschien echt had.. Maar ik wist niet wat ik anders moest doen.”
“Maar wat doe je hier vandaag nog in het bos?”
Sofie is even stil. “Ik begon net een beetje tot rust te komen toen Archibald langzaam weer bij bewustzijn kwam. Het eerste wat hij deed was mijn enkel vastgrijpen. Ik heb hem nog een mep verkocht, en ben toen zo hard ik kon teruggerend naar het dorp. Maar de ketting lag natuurlijk nog in het bos verstopt.”
“En die ben je nu aan het zoeken?”
“Ja, maar ik moet me vergist hebben. Ik weet bijna zeker dat hij op dit stuk van het pad lag, maar ik kan hem niet vinden.”

Japske dacht een moment na en overwoog zijn opties. Waarom had Archibald hem laten leven? Was het hun jarenlange vriendschap die uiteindelijk de doorslag had gegeven, en was hij blind geworden bij het idee dat hij zou worden verstoten uit het dorp, of dacht hij hem nog te kunnen gebruiken als alibi indien hij Sofie niet meer had kunnen achterhalen? En accepteerde hij hem vanochtend nog steeds als zijn vriend, of had hij hem louter op pad gestuurd om zijn plekje in het rotsdorp veilig te stellen? Was hij nog te vertrouwen als dat het geval was? En wat zou het Archibald opleveren als hij hem zou verraden? Hij wist weliswaar dat Archibald in zijn ultieme roofpoging was neergeslagen, en nog wel door dorpsmeisje, maar wie zou hem nog geloven als Archibald hem als eerste zwart zou maken? De iele Japske tegen de uiterlijk sterke Archibald. Japske rilde bij de gedachte. Hij zou worden weggehoond uit het dorp, en Archibald zou de grote held zijn. Van de andere kant kon hij Archibald ook niet als eerste verraden, die zou hem zeker met gelijke munt terugbetalen, en dan was het nog maar de vraag wie ze zouden geloven. Archibald mocht hoe dan ook die ketting niet zomaar in handen krijgen. Hem zou het kleinood evenwel enorme macht geven. Hij zou Archibald kunnen dwingen om het op een akkoordje te gooien, en in ruil voor de ketting zou hij hem eerst flink moeten ophemelen in het dorp, zodat zijn reputatie voorlopig gevestigd was.

Hij keek naar de schaduw naast hem. Het meisje dat hij weliswaar nog niet echt kende, maar toch zijn hart sneller deed kloppen, dat kon hij niet ontkennen. Hij wist al dat ze aardig was, maar hij wilde nog zoveel meer over haar te weten komen. Hij had alleen geen idee hoe hij dat moest aanpakken. Hij was bang dat ze helemaal niet zat te wachten op iemand die uit zo een andere wereld als zij kwam.
Sofie draaide haar hoofd naar hem toe. “Waar denk je aan Japske? Kun jij me niet helpen de ketting te vinden?”

Japske peinsde verder. Zou de keuze betekenen dat hij Sofie definitief vaarwel zou moeten zeggen? En daarmee ook haar dorp, de boeken, en al die andere bijzondere dingen waar hij van had gehoord, maar nog nooit met eigen ogen had aanschouwd? Ineens kwam er een plannetje in hem op. Misschien zou hij beide dingen kunnen combineren. Zich samen met Archibald tot gevestigde Rotsrovers laten verklaren zodat ze wat meer bewegingsvrijheid zouden krijgen. Ze zouden dan samen op pad kunnen gaan zonder zich elke dag te hoeven verantwoorden. Ondertussen kon hij dan stiekem op zoek gaan naar Sofie en haar dorp. Maar zou Archibald daar ook aan mee willen werken? Vast wel, uit naam van hun vriendschap zou hij hem begrijpen, zo hield hij zichzelf voor.

Hij probeerde zich de plek van gisteravond zo goed mogelijk te visualiseren. Hij wist bijna zeker dat het nog een paar bochten verder moest zijn. “Natuurlijk help ik je met zoeken, hij moet hier ergens liggen als dit de plek is waar je Archibald hebt achtergelaten. Zal ik wat verderop gaan kijken, voor het geval je je toch vergist mocht hebben?”
“Goh Japske, wil je me echt helpen zoeken? Ik heb mijn opa geprobeerd uit te leggen wat er gisteravond in het bos is gebeurd, maar hij bleef er maar op hameren dat ik die ketting ten koste van alles moest terugvinden.”
Nadat Japske haar had verzekerd dat hij zijn best zou doen om de ketting te vinden, daar was immers geen woord van gelogen, liep hij verder over het pad. Het kostte hem nog een paar minuten voordat hij de plek bereikte die hem bekend voorkwam. Minutieus tastte hij met z’n handen elke stukje onder de varens af. Hij was ongeveer twintig meter gevorderd toen hij iets hards voelde. Schichtig keek hij om zich heen, maar Sofie was niet te zien. Resoluut en met kloppend hart trok hij de zilveren ketting onder het groen tevoorschijn. Lieflijk streelde hij met z’n hand de fijne steentjes waarmee de ketting was ingelegd, waarna hij hem voorzichtig in z’n broekzak liet glijden.

“Ik heb hier verderop alles afgezocht, geen ketting te vinden”. Hij probeerde zoveel mogelijk dramatiek in zijn stem te leggen. “Ik moet nu dringend terug naar het dorp voor een belangrijke vergadering, misschien kan ik vanmiddag terugkomen om verder te helpen zoeken.”
Ondanks zijn vastberadenheid voelde hij een steek in zijn hart. Hij kon zich niet herinneren ooit iemand op zo’n lafhartige manier verraden te hebben. Maar hij vermande zich: dit was zijn plan, hij zou het later goedmaken. Hij zou haar gaan opzoeken in het dorp, en misschien was ze de ketting tegen die tijd wel weer vergeten.
“Japske, wat moet ik mijn opa vertellen als ik de ketting niet kan vinden? Misschien hebben de mannen uit jouw dorp hem gisteravond wel gevonden toen ze Archibald kwamen ophalen. Oooo, dat zou vreselijk zijn. Dan durf ik niet meer terug te gaan naar het dorp.” Er klonk een snik in haar stem.

Japske voelde dat hij in ernstige gewetensnood ging komen als hij hier nog lang bleef staan. “Weet je wat, ik zal in mijn dorp nadere informatie inwinnen over de reddingsactie van Archibald. Als iemand daarbij die ketting heeft gevonden dan kom ik dat vast wel te weten.” Zijn gedachten gingen nu alle kanten uit. Hij kon vanmiddag ook nog terugkeren met de ketting en dan door Sofie als een held worden ontvangen. Tegen Archibald zou hij dan zeggen dat hij niets had kunnen vinden in het bos.
“Oooo Japske, zou je dat voor mij willen doen? Zelfs al kan je hem dan niet meenemen, laat me alsjeblieft weten dat de ketting in jullie dorp is, dan weet ik waar ik aan toe ben, hoe erg het ook is.”
Zelfs dat was dus nog een optie. Een enorm gevoel van macht kwam over hem heen. Voor het eerst in z’n leven had hij, Japske Rotsrover, zoon van de opperrotsrover in zijn dorp, alle touwtjes in handen. “Zal ik doen. Wat een rotsituatie Sofie, ik hoop echt dat die ketting boven water komt!”

Terwijl hij terugliep naar zijn dorp besefte hij ineens dat hij in al zijn euforie vergeten was dat hij nog een geloofwaardig verhaal voor de dorpsraad moest verzinnen. Overmoedig als hij was besloot hij daar niet verder over na te denken, maar het te houden bij het verhaal dat hij en Archibald in het bos door een grote groep mannen waren overvallen. Hij had zich in die strijd een waardig Rotsrover getoond door weliswaar gewond te raken, maar toch te ontsnappen om hulp voor zijn vriend Archibald te kunnen gaan halen. Eindelijk zouden de mannen in het dorp hem als een echte Rotsrover gaan zien, een waardig opvolger van zijn vader als de tijd daarvoor rijp was.

11.  Japske’s keuze (wijzigingen in het verhaal)  (les 28, 18 april 2013)

Naar aanleiding van de opmerking van iemand uit mijn schrijfgroep dat hij de sympathie voor Japske was kwijtgeraakt, heb ik de verhaallijn in dit hoofdstuk als volgt aangepast: Japske vindt de ketting, en twijfelt over wat hij ermee moet doen. Uiteindelijk besluit hij hem toch aan Sofie terug te geven, en  Archibald later te vertellen dat hij niets heeft kunnen vinden in het bos. Sofie is dolgelukkig, omhelst Japske, en zegt hem dat hij binnenkort moet langskomen in haar dorp (rechts op de kaart) om een beloning in ontvangst te nemen. Sofie en Japske lopen samen terug naar de top van de pas waar ze afscheid nemen. Sofie vervolgt haar weg naar het andere dorp (links op de kaart) om de ketting af te leveren zoals haar opa (de oude man) haar had opgedragen, Japske vervolgt zijn weg naar het dorp om voor de  dorpsraad te verschijnen.

12. De dorpsraad (les 28, 18 april 2013)

Terwijl Japske vanaf de pas naar beneden liep begon hij zich voor het eerst enige zorgen te maken. Met z’n hand boven z’n ogen tuurde hij naar de zon, die aan een wolkenloze hemel brandde. Hij schatte haar positie, en vloekte inwendig. Door het verhaal van Sofie en het zoeken naar de ketting was hij de tijd uit het oog verloren. Maar nu dreigde hij te laat te komen, en hij wist wat de regels van de dorpsraad daarover zeiden. Zo snel als hij kon daalde hij af, gleed als een skiër door het losse grind, en sprintte het laatste stuk over de zanderige bodem naar de voet.

Net buiten het dorp stond zijn vader hem op te wachten. Hij stond daar onbeweeglijk, als ware hij zelf een rots in het woeste landschap, z’n armen gekruist voor z’n borst. Hij leek door hem heen te kijken, dat beloofde niet veel goeds.
“Japske, wat maak je me nou, wil je de Opperrotsrover te schande maken? Kijk naar de stand van de zon!”.
Japske volgde de vinger van zijn vader richting het dorp, waar twee grote monolieten hoog boven het landschap uittorenden. De legende wilde dat Ruwrots die na één van zijn rooftochten uit de bergen had meegenomen, waarna hij ze eigenhandig op het dorpsplein had geplaatst. Vanaf dat moment kon enkel wanneer de zon vanaf het centrum van het plein gezien exact tussen de twee rotskegels stond de dorpsraad beginnen. Niet eerder, en zéker niet later.
“Ik.. ik..”, koortsachtig probeerde Japske een verklaring te vinden voor zijn late verschijnen.
“Ik wil je smoesjes niet eens horen”, bulderde zijn vader. “Als je nu niet maakt dat je op het dorpsplein komt slinger ik je eigenhandig het Rotsdorp uit!”
Zo snel zijn benen hem konden dragen spoedde Japske zich naar het dorp. Op het plein aangekomen waren alle wijze mannen al verzameld. Recht tegenover de twee monolieten, aan de andere kant van het plein, was op een grote stenen ellips een afbeelding van Ruwrots geschilderd. Daarvoor stond een grote langwerpige rots die als spreekgestoelte diende. De vader van Archibald had al achter de rots plaatsgenomen, en verving zijn vader, omdat de regels van de raad zeiden dat iemand niet door een eigen familielid kon worden ondervraagd. De overige mannen stonden aan weerszijden van het plein, waarbij een rechte lijn tussen de monolieten en de rots was vrijgelaten. Snel liep Japske naar zijn plek, net voor de twee rotszuilen. Hij rilde, en dat kwam niet omdat hij nu in de schaduw stond.

Hij keek naar de vader van Archibald. Een brede, sterke man, wiens baard en snor bijna zijn hele gezicht bedekten. Alleen zijn kleine kraaloogjes waren nog zichtbaar, en die keken Japske doordringend aan. Onwillekeurig boog hij zijn hoofd om de priemende blik even te ontwijken.
“Japske Rotsrover, je bent hier om uitleg te geven over de verwondingen die jij en Archibald gisteren hebben opgelopen. Maar we zijn nog niet begonnen of je hebt de eer van Ruwrots al door het slijk gehaald.”
Er trok een spoor van “Oh’s” door de groep mannen. Japske begon zich steeds ongemakkelijker te voelen.
De vader van Archibald sloeg met een stok in z’n rechterhand op de rots, onmiddellijk was het doodstil.
“Normaal gesproken er is maar één straf voor dit vergrijp, maar gezien de ontberingen die jullie hebben doorstaan zal ik over mijn hart strijken. De raad legt je voor onbepaalde tijd dorpsarrest op, dat betekent dat je je niet buiten de grenzen van het dorp mag begeven, en alle klusjes moet doen die normaal door de jongste Rotsrover worden gedaan. Hieronder valt het driemaal daags zorgvuldig vegen van het dorpsplein, en het herschikken van alle keien die de grens van het plein markeren.”
Japske slikte. Die klusjes, hoe vernederend ook, konden hem niet zoveel schelen, maar onbepaald dorpsarrest?
“Hoe lang is onbepaald?” Het was eruit voordat hij er erg in had.
“Japske Rotsrover, waag jij deze uitspraak van de raad te betwisten? Onbepaald is onbepaald. Reken er maar op dat jij de bossen, bergen, en weidse uitzichten rondom het dorp voorlopig niét meer zult weerzien.”
Japske voelt een steek in z’n hart, maar kreeg geen tijd om de uitspraak te laten bezinken.

“Goed, nu we recht hebben gedaan aan onze grote voorvader, gaan we verder met waarvoor we hier eigenlijk bijeen zijn. Een aantal van onze mannen heeft vannacht een reddingsoperatie moeten uitvoeren om Archibald, mijn zoon..” De vader van Archibald pauzeerde kort. Even leek in z’n ogen een spoortje van emotie zichtbaar, maar hij vermande zich snel. “Om Archibald, mijn zoon, te redden uit een bos op een paar uur hier vandaan. Hij had zware verwondingen aan zijn hoofd. De almachtige Ruwrots hij zij geprezen heeft hij het overleefd en is hij aan de beterende hand.”
Er klonk spontaan applaus van een aantal mannen op het plein. De vader van Archibald hief zijn linkerhand.
“Ik dank u voor uw hulp en medeleven in deze moeilijke uren.” Hij laste opnieuw een korte onderbreking in. “Ook Japske, die wel zelfstandig het dorp wist te bereiken was gehavend. Omdat mijn zoon nog niet kan worden verhoord, wil ik Japske Rotsrover nu het woord geven. Japske, ik wil je er op wijzen dat je onder ede van de dorpsraad staat.”

Japske slikte. In sneltreinvaart raasden de mogelijkheden door zijn hoofd. Hij kon de raad niet vertellen hoe hij Sofie had ontmoet, hoe hij Archibald had tegengehouden toe die haar wilde beroven, dat Archibald hem bijna van het leven had beroofd, en hoe die vervolgens door Sofie was neerslagen. De waarheid zou voor beide de verwijdering uit het dorp betekenen, daar was hij zeker van. Er restte hem niets anders dan de leugen die hij had voorbereid.
“Ik had een dag vrijaf gekregen na mijn eerste.. succesvolle roof”. Hij bleef even hangen op het woordje ‘succesvol’ en hoopte maar dat het de mannen niet was opgevallen. Alles wat hij zei leek ineens één grote leugen. “Tijdens mijn roof op de pas was me het dichte bos in het dal al opgevallen. Ik besloot terug te keren naar de pas om nog één keer te genieten van mijn succes..”.
Een goedkeurend gemompel bracht Japske even van zijn stuk.
“Heel goed mijn zoon, en toen?” Zijn vader had zich inmiddels onder de mannen op het plein gemengd.
“Daarna daalde ik af naar het bos, ik wilde op zoek gaan naar uilen, en dacht dat ze daar misschien zouden zitten.”
“Maar hoe is mijn zoon hierbij betrokken geraakt?”, bulderde het over het plein.
“Archibald was nieuwsgierig geworden waarom ik opnieuw de pas opging, en is me gevolgd. We hebben toen besloten samen het bos in te gaan. Het was alsof onze oude vriendschap ineens weer opbloeide”.
“Vriendschap is de hoekrots van onze gemeenschap”, klonk er uit het publiek.
“Stilte!”, maande de vader van Archibald. “We willen nu graag weten wat er in het bos is gebeurd.”
“De mannen..”, begon Japske, en nam bewust een korte pauze. “Waarschijnlijk hebben ze ons vanaf de pas zien aankomen. Misschien wilden ze wraak nemen voor een recente roof. U moet weten dat het ontzettend donker in dat bos was, we werden totaal verrast. We vochten natuurlijk terug als echte Rotsrovers, maar al gauw bleek dat het er teveel waren. Archibald ging voor mijn ogen neer..”. Japske snikte even, en nam opnieuw een pauze.
“Het is goed jongen, neem je tijd”, zei de vader van Archibald, nu op een mildere toon.
“Ik kon alleen maar vluchten, en ben tot in de klim naar de pas achternagezeten. Maar ik was ze allemaal te snel af, en ben daarna zo snel ik kon teruggerend naar het dorp om hulp te halen. De rest van het verhaal kent u”.

Vrijwel meteen nadat Japske was uitgesproken ontstond er rumoer op het plein.
“Die dorpelingen van tegenwoordig denken dat ze alles kunnen maken. Laten we ze dat betaald zetten!”.
“Wraak, wraak, wraak!”, schalde een moment later over het plein.
“Stilte!”. De vader van Archibald sloeg een paar maal met zijn stok op de steen om de mannen tot bedaren te brengen. “Laten we dit als volwassen Rotsrovers aanpakken. Ik zal me met een aantal mannen terugtrekken in mijn huis om te bepalen wat er verder moet worden gedaan. De dorpsraad is gesloten”.
Terwijl de mannen op het plein in groepjes uiteen waaierden om na te praten, kwam de vader van Japske op hem af. “Goed gesproken mijn zoon. Begin nu maar snel aan je taken op het plein, des te eerder is je dorpsarrest voorbij”.

Terwijl Japske met een bezem over het fijne wit-gele zand van het dorpsplein ging overdacht hij zijn situatie. Ondanks dat de list voor de dorpsraad was geslaagd was hij mistroostig. “Dorpsarrest voor onbepaalde tijd”. Zou hij Sofie ooit nog terugzien? Voorlopig moest hij berusten in een leven als Rotsrover, en dan nog wel eentje van het laagste soort. Hij wilde dat hij de oude man nooit was tegengekomen.

13.  Wat de dorpsraad besliste  (les 29, 25 april 2013)

Net als de afgelopen dagen lukte het Japske die nacht niet om de slaap te vatten. In zijn rotsstenen bed lag hij te draaien en te woelen, wat zijn rug geen goed deed. Volwassen Rotsrovers slapen direct op het steen, voor de kinderen zijn er altijd wel wat dekens beschikbaar om een zachter bedje te kunnen maken. Maar de vader van Japske had er vanaf zijn vroege jeugd op gestaan dat hij zou slapen als een echte Rotsrover. Hij had het vaak over het ‘harden’ voor het echte leven, en hoe belangrijk dat was. Japske had zich in dit lot geschikt, maar nu hij zich zo ellendig voelde wenste hij dat hij een paar van die dekens had om zich in op te krullen. Hij overdacht wat zijn leugens hem tot dusver hadden gebracht. Zolang Archibald zijn mond hield was hij geslaagd voor zijn examen. En ze hadden gezorgd voor de ontmoeting met Sofie. Hij dacht terug aan de bijzondere sensatie die haar omhelzing na het overhandigen van de ketting in hem teweeg had gebracht. Een onbekend gevoel wat hij opnieuw wilde beleven. Maar Ruwrots had besloten dat het voor nu genoeg was geweest, en had haar hem meteen weer ontnomen.

Een gekraak vlak voor zijn huis bracht hem terug in de realiteit. Hij spitste zijn oren en luisterde een moment aandachtig. Nu hoorde hij het geluid van voetstappen die over het dorpsplein liepen. Het was niet ongewoon dat mannen uit zijn dorp ’s nachts op rooftocht gingen, als de inwoners van de naburige dorpen dachten veilig te kunnen reizen. Maar dit waren er zoveel dat het wel een oefening leek. Omdat zijn nieuwsgierigheid was gewekt en hij toch niet kon slapen, besloot hij dat het geen kwaad kon om even buiten te gaan kijken. Hij richtte zich op en strekte een moment zijn pijnlijke rug. Toen stapte hij uit z’n bed en sloop op z’n tenen langs de slaapkamer van zijn ouders. Hij liep door de gang die met een flauwe U-bocht naar de ingang liep, zodat het grootste deel van het interieur van de woning aan het zicht was onttrokken. Rotswoningen hadden nimmer een voordeur, inbraken vonden nooit plaats, en deze bouwconstructie gaf de bewoners toch wat privacy. Het eerste wat Japske zag toen hij naar buiten stapte was een waas van licht. Hij wreef in z’n ogen, en toen hij weer helder kon zien zag hij hoe een spoor van lichtjes het dorp aan de westkant verliet. Een vergadering met een naburige Rotsrovergemeenschap misschien? Dat zou kunnen, maar meestal werd daar de dag van tevoren in de dorpsraad wel over gepraat. Maar natuurlijk, dat had hij gemist omdat hij zo laat was geweest. Japske geeuwde luid. Nu dit raadsel was opgelost zou het wellicht nog lukken om een paar uur te slapen.

Verward keek Japske om zich heen. Hij moest vrij snel nadat hij weer naar binnen was gegaan in slaap zijn gevallen. Er kierde al wat ochtendlicht door de muren van zijn slaapkamer, een kamertje dat karig was ingericht. Naast zijn rotsbed stond een stenen nachtkastje waarop het boek met de avonturen van Ruwrots lag. Links en rechts boven zijn bed hingen twee toortsen in stenen houders die de ruimte van licht konden voorzien als hij dat nodig had. Vanuit zijn bed keek hij tegen een kale muur, maar daar zag Japske nu zijn bezem staan. Ineens was hij klaarwakker. Hij moest het plein gaan vegen voordat de zon helemaal was opgekomen. Hij sprong uit bed, en haastte zich naar buiten. De eerste straaltjes warmte waren net over de helling aan de westkant van het dorp gekropen, en Japske ging snel aan de slag. Terwijl hij zijn werk deed viel het hem op dat het ongewoon stil was in het dorp, maar gisteren was hij zo vaak aangestaard dat hij dat wel prettig vond. Toen hij klaar was met vegen ging hij net buiten de rechterrand van het plein op z’n knieën zitten om voor de eerste keer aan het schikken van de stenen te beginnen. Het leken er oneindig veel en hij besloot te proberen ze eens te tellen.

Japske was zo geconcentreerd bezig dat hij niet hoorde dat iemand hem van achteren naderde. Tot hij ineens het geluid van twee op elkaar ketsende steentjes hoorde en verschrikt omkeek. Hij haalde opgelucht adem toen hij in het gerimpelde, maar vriendelijk glimlachende gezicht van de moeder van Archibald keek.
“Goedemorgen Japske, ik zie dat je uitstekend voor ons dorpsplein aan het zorgen bent. Het zou goed zijn als je nog even bij Archibald kon langsgaan. Hij was heel onrustig vannacht, en bleef constant om jou vragen.”
Japske schrok, maar hield zijn gezicht in een plooi. Archibald wilde vast weten of hij iets had gevonden in het bos.
“Zodra ik klaar ben met m’n werk op het plein kom ik zo snel mogelijk naar hem toe.”
“Prima, wat is het toch heerlijk om te zien dat jullie nog steeds zulke goede vrienden zijn.”

Omdat hij niet wist of Archibald sliep of wakker was liep hij zachtjes over de gang naar zijn slaapkamer. Hij stak z’n hoofd om de deuropening. Archibald lag plat op bed, maar draaide direct zijn hoofd.
“Goeie-morgen Jap-ske.” Hij sprak de woorden traag en moeizaam uit, alsof hij een oude man was.
Japske wist niet goed wat hij moest zeggen, en stak zijn hand op.
Archibald wees naar een houten stoel naast zijn bed, en voor het eerst stoorde Japske zich eraan dat deze kamer veel rijkelijker was ingericht dan de zijne. Het bed had zachte en warme dekens, en ernaast stond een stenen dressoirkast waarop een kunstig bewerkt houten bord en mok stonden. Tegen een andere muur stond een hoge houten kast waarin vast veel meer kleren lagen dan het weinige dat hij bezat. Aan de muur hing een groot schilderij van zijn vader en moeder en een jonge Archibald tegen het decor van het Rotsdorp, dat jaren geleden moest zijn vervaardigd. Tenslotte was de grond bedekt met vers gras uit een naburige weide.

Toen Japske op de stoel naast het bed was gaan zitten zag hij pas het ernstige gezicht van zijn vriend.
“Ik vrees dat ik heel slecht nieuws voor je heb.”
Japske zette grote ogen op. Hij zou toch juist het slechte nieuws gaan brengen? “Archibald, luister, ik..”
Archibald stak bezwerend zijn hand op, en Japske zweeg abrupt.
“Wat ik je nu ga vertellen zal vast hard aankomen, maar als vriend verdien je de waarheid te horen. Ik heb gisteren terwijl ik in bed lag flarden van het gesprek van de dorpsraad opgevangen, die hierbinnen hebben vergaderd. Uit het gesprek heb ik begrepen wat jij ze op het dorpsplein moet hebben verteld. Ik wil benadrukken dat mijn vader het hierbij wilde laten. Maar een aantal heethoofden uit het dorp wilden wraak.”
Archibald nam een pauze om op adem te komen. Japske liet de woorden op zich inwerken. Wraak, maar op wie?
“Jij hebt ze verteld dat wij in het bos zijn overvallen. Als jij die dorpsraad leidde, wie zou je verantwoordelijk stellen?”
Japske ogen werden groot van schrik. “Je bedoelt toch niet dat ze, dat ze.. dat ze..”
“Helaas wel Japske. De aanval moet afgelopen nacht zijn uitgevoerd onder leiding van jouw vader. Ik denk dat de mannen elk moment zullen terugkeren.”
“Nee Archibald. Nee! Waarom heb je me niet gewaarschuwd?”.
Archibald zakte vermoeid terug in zijn kussens. “Het spijt me Japske, ik was nog niet bij machte om iets te doen.”

Japske dacht na. Hij had Sofie achtergelaten op de pas. Ze zou naar het dorp aan de andere kant reizen om de ketting af te leveren. Had ze daarna nog tijd gehad om terug te keren naar haar eigen dorp? Wellicht had ze na de vermoeide dag besloten te blijven overnachten, maar hoe zeker kon hij daarvan zijn?
“De beloning!” Het was er uit voordat hij er erg in had.
“Welke beloning?”
Japske besefte te laat dat hij een enorme fout had gemaakt met het uitspreken van die twee woorden. Ineens kwam er een enorme zelfhaat opzetten. Al deze leugens hadden er uiteindelijk voor gezorgd dat.. Hij durfde zijn gedachte niet af te maken, maar besloot op dat moment dat het afgelopen moest zijn met het liegen en bedriegen.
“Ik heb gevonden wat Sofie was verloren, maar heb het aan haar teruggegeven.”
“Waaaaaat?” Archibald veerde op uit z’n kussens. “Weet je wel wat dat voor mij betekent?”
“Ik.. ik moest kiezen. Sofie durfde niet meer terug naar haar dorp als ze haar ketting niet zou terugvinden.”
“Sofie, Sofie.. Misschien ligt ze nu wel ergens onder de rokende puinhopen van haar vernielde dorp.”
Japske ogen schoten vuur. “Nu ben je te ver gegaan, je bekijkt het maar met je roversexamen.”
Hij stond op en beende naar de ingang van de kamer waar hij bijna in botsing kwam met de moeder van Archibald die op het geschreeuw was afgekomen. Zonder een woord liep hij langs haar heen, de kamer uit, het huis uit.

Hij moest te weten zien te komen wat er in het dorp was aangericht en of Sofie inmiddels een beloning op de pas voor hem had achtergelaten. Dorpsarrest of niet, als de mannen toch nog niet terug waren van hun barbaarse daad, kon niemand hem beletten om terug te gaan naar de pas om in ieder geval te achterhalen of Sofie veilig was. Hij liep vastberaden over het dorpsplein naar de rand van het dorp. Daar zag hij één van de mannen uit het Rotsdorp staan.
“Zo Japske, ben je niet een beetje verdwaald? Je komt gevaarlijk dicht bij het breken van je dorpsarrest.”
“Rudolf, wat doe jij hier?”
“Gezien de uitspraak van de dorpsraad leek het jouw vader een goed idee om iemand op wacht te zetten bij de ingang van ons dorp. En misschien had hij wel voorzien dat die iemand ook zijn zoon in de gaten moest houden terwijl hij weg was. Als je gauw terugkeert naar het dorp zal ik dit voorval voor deze keer maar vergeten.”
Japske zakte voor de voeten van de ouderling op zijn knieën. Zijn vriendschap met Archibald weg. Sofie misschien.. en dat door toedoen van zijn eigen vader. Wat bleef er nog over van zijn leven, en wie kon hij nu nog vertrouwen?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s